Confessie Niclaes Albertse

In Amsterdam kwamen misdrijven geregeld voor. Als iemand binnen de stad tegen de lamp liep, werd hij of zij verhoord door de schout en veroordeeld door de schout en schepenen van de stad. Veelal waren verdachten geen poorter van de stad maar afkomstig uit de lagere sociale klassen. Het verhoren van de verdachten werd uitgevoerd door de schout en de bekentenissen opgeschreven in de ‘confessieboeken’. Deze confessieboeken zijn bewaard gebleven en vormen een interessante en veelal ook vermakelijke bron. De meest bijzondere, verrassende en gekke bekentenissen zijn hierin terug te vinden. Een bijzondere bekentenis komt uit het begin van 1656.

Op 21 en 25 januari 1656 wordt een zekere Niclaes Albertse verhoord. Hij kwam uit Kopenhagen, 28 jaar oud en was naar eigen zeggen slotenmaker van beroep. Hij was in Amsterdam in het gevang terecht gekomen omdat hij zijn kind bij een hoer had achtergelaten en daarna niet meer was teruggekeerd. Op zich al een schokkende bekentenis maar in het vervolg van zijn confessie, waarschijnlijk door de doortastendheid van de schout, komen nog meer  zaken aan het licht.

Zo verklaart Niclaes dat hij in het verleden in Enkhuizen gevangen zat. In Medemblik werd hij publiekelijk gegeseld en gebrandmerkt en voor 15 jaar uit de stad verbannen. Deze straf had hij te danken aan de misleidende manier waarop hij stond te bedelen. Hij veinsde namelijk dat hij een arm miste en had, aldus het confessieboek, also der goeder lieden allmoessen misbruijckt. Hij bekent verder dat hij zich in Amsterdam, in het Oost-Indisch huis, voor de VOC had ingeschreven maar daarna niks meer van hem had laten horen. Geen betrouwbaar type dus. Verderop in de bekentenis staat dat hij een zilveren ketting en geld had gestolen van zijn slaapvrouw (hospita). Het geld heeft hij in gezelschap van een hoer uitgegeven aan drank in de Jonkerstraat. In deze buurt waren louche herbergen en hoerenhuizen gevestigd waar het ruwe zeevolk en misdadigers vertier zochten.

Bekent oock het gelt dat hij tot sijn slaapvrouwe hadde gestoolen met een hoer in de Jonckerstraet verdroncken te hebben

Bekent oock het gelt dat hij tot sijn slaapvrouwe hadde gestoolen met een hoer in de Jonckerstraet verdroncken te hebben

Mannen aan het raspen in het tuchthuis

Mannen aan het raspen in het tuchthuis

Uiteindelijk wordt Niclaes Albertse op 13 maart 1656 door schout en schepenen uit de stad verbannen voor de duur van vier jaar. Blijkbaar had hij lak aan dit vonnis aangezien hij op 17 mei 1656 wederom door de schout werd verhoord omdat hij in de stad was gesignaleerd. Hij wordt deze keer veroordeeld voor één jaar tuchthuis en nadien drie jaar verbannen uit de stad. Het tuchthuis was in 1596 opgericht in het voormalige Clarissenklooster aan de Heiligeweg en was bedoeld om misdadigers een vak te leren voordat ze terugkeerden in de maatschappij. In het tuchthuis moesten de veroordeelden hout uit Brazilië raspen tot pigmentpoeder waar verf van gemaakt werd. Hierdoor werd het tuchthuis ook wel ‘het rasphuis’ genoemd. Tegenwoordig is de toegangspoort van het voormalige rasphuis nog in gebruik als ingang aan de Heiligeweg naar de Kalvertoren.

Het tuchthuis aan de Heiligeweg. Links ligt de Kalverstraat. Tegenwoordig is hier de Kalvertoren.

Het tuchthuis aan de Heiligeweg. Links ligt de Kalverstraat. Rechtsonder is de poort te zien die tegenwoordig toegang biedt tot de Kalvertoren.

Of Niclaes Albertse van zijn fouten heeft geleerd is onbekend. Hij komt in ieder geval niet meer voor in de Amsterdamse confessieboeken. Gezien zijn antecedenten zal hij in andere steden ‘werk’ hebben gevonden.

Bronnen uit het Stadsarchief Amsterdam:

SAA: 5061.582 (justitieboeken) 153 13-3-1656

SAA: 5061.582 (justitieboeken) 153 13-3-1656

SAA:5061.311 (confessieboeken)148 17-5-1656

DelenShare on Facebook

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *


8 + 7 =