Stadsmuzikanten

Amsterdam had in de 16e en 17e eeuw veel verschillende soorten ambtenaren in dienst. We zagen eerder de hondenslager en pluimgraaf al voorbij komen. In dit artikel worden de stadsmuzikanten onder de loep genomen. De archiefbronnen geven een  prachtig beeld van de werkzaamheden van deze muzikanten.

De intocht van prins Maurits in 1618. Linksonder blazen de stadsmuzikanten ter ere van dit feit.

De intocht van prins Maurits in 1618. Linksonder blazen de stadsmuzikanten ter ere van dit feit.

Op 21 juni 1521 werden Anthonys Jansz. en zijn zoon Jacob Anthonysz. tot trompers deser stede angenoomen. De stedelijke trompetters kregen een instructie mee waaraan ze zich moesten houden. Zo waren ze verplicht om iedere ochtend en avond te spelen een lyedeken, twe ofte drie, op der stede toernne. Dit was de toren van het oude stadhuis dat in 1652 afbrandde. Dit stadhuis stond overigens op dezelfde locatie als het latere stadhuis (Paleis op de Dam). Blijkens de instructie was het Anthonys en Jacob verplicht om mee te gaan als de stede ennige scepen ten oirloge uuytseyndt oft te lande uuyttrect. Naast de 36 gulden die ze jaarlijks zouden ontvangen kregen ze daerenboven elcken een cleedinge als de boeden (stadsboden) hebben.

Het oude stadhuis van Amsterdam, geschilderd door Pieter Saenredam in 1657.Vanuit de toren lieten de stadsmuzikanten hun klanken horen.

Het oude stadhuis van Amsterdam, geschilderd door Pieter Saenredam in 1657.Vanuit de toren lieten de stadsmuzikanten hun klanken horen.

Een trompetter, Jacob de Gheyn (1575-1629)

Een trompetter, Jacob de Gheyn (1575-1629)

De instructie die de nieuw aangenomen stadsspeellieden op 7 december 1557 meekregen was nog wat uitgebreider. Albrecht van Ham, Jan de Pree van Doornick, Symon de Sosse van Rysel en Anthoenis van der Heyde van Maestricht werden aangenomen omme tot deser stadts eere te bewaeren ’t speelen mit scalmeyen (blaasinstrument), trompetten ende andere instrumenten van musycke. Dagelijks, uitgezonderd in de Vasten en op vrijdag, moesten ze nae de clocke elff uuren geslagen zal wesen, speelen zullen omtrent een quartier van een uure. Bij guet, schoen ende still weer werd dit op de stadstoren gedaan maar bij quat weer werd er beneden in het zegelhuis gespeeld. Daarnaast begeleidden de muzikanten verschillende processies in de stad en speelden bij sommige feesten in de kerk. In de instructie werd ook rekening gehouden met de bewoners van Amsterdam. De speellieden mochten tot gheenen tyden van den jaere by nacht op der straeten moeten speelen op eenighen trommelen, tamborynen, trompetten, schalmeyen oft anderen instrumenten, groet geluyt maickende dan alleen […] by oorloove van Mijne Heeren den Burgermeesteren. Gelukkig voor de stadsmuzikanten waren niet alleen plichten en restricties opgenomen in hun instructie, maar kregen ze ook een voorrecht op nieuwjaarsdag. Niemand anders dan de speellieden mochten op nieuwjaarsdag langs de huizen gaan om te spelen die dairoff zullen moegen ontfangen van elck huys tgeene hem gesconken werdt, sonder yemande yet te moeten eysschen. Deze instructie werd bijgevoegd door problemen die in het verleden waren ontstaan rond oud en nieuw. Dat blijkt uit een keur van 24 december 1540 waarin werd besloten om te verhoeden d’inconvenien jaerlicx gebuerende op nyewe jaersnacht verbieden mijne heeren een yegelicken tnyewe jaer te speelen oft voer den doeren te singen op jaernacht eerstcomende dan de trompers deser stede die tzelve alleenlicken toegelaten werdt. Het werd eenieder verboden, uitgezonderd de stadstrompetters, om met oud en nieuw langs de deuren te gaan om muziek te maken.

Den zelve voor hoere cledinge vande jaere LXIII (1563) elcx thien Karolusgulden blijckende bij ordinantie ende quytantie van Simon vander Graft hier overgelevert. Comt in munte Vlaams ter somme van VI pond, XIII stuivers, IIII denari.

Den zelve voor hoerluyden cledinge vanden jaere LXIII (1563) elcx thien Karolusgulden blijckende bij ordinantie ende quytantie van Simon vander Graft hier overgelevert. Comt in munte Vlaams ter somme van VI pond, XIII schellingen, IIII denari.

Op 6 februari 1563 werden vier nieuwe stadsmuzikanten aangenomen. De instructie voor deze muzikanten verschilde niet veel van die van zes jaar eerder. De muzikanten kregen jaarlijks 36 gulden loon en ontvingen elck voor zijn persoon thien gulden voer een cleedinge. Op advies van de burgemeesters moesten ze hun eigen uniform laten maken. Een stadstrompetter diende een poorter van de stad te zijn. Veel van de aangenomen stadsmuzikanten waren niet uit Amsterdam afkomstig en waren dus geen poorter. Blijkens de poorterboeken werden de stadsmuzikanten, nadat ze aangenomen waren en hun instructie hadden gekregen, enkele dagen later poorter van de stad. Dit voorrecht hoefden ze niet te kopen maar kregen ze geschonken door de burgemeesters. Dat geeft wel aan met welke egards de muzikanten verwelkomd werden.

adsf

Van Simon Jansz. vande Graft, Jan Craemer, Jan Jelisz. ende Aernt Jelisz. stedetromperts die den 16en marty poorters geworden zijn ende hebben mijne heeren de burgermeesteren henluyden hoer poortergelden geschonken. Ergo hier. Nyet.

In de stadsrekeningen komen de stadstrompetters nog vaker voor dan alleen een vermelding van het ontvangen loon. In navolging van hun instructie waren ze verplicht om bij vergaderingen van de schutterij, heren van de gerechte of de burgemeesters aanwezig te zijn en aldaar de muziek te verzorgen. Zo kregen de vier trompetters van de stad in 1540 één gulden omdat ze opten dach vanden conincxfeeste vanden Cloveniers opte Doelen (nu het Doelenhotel) gespeelt hebben. In 1563 kregen de speellieden tweeënhalve gulden uyt saicke dat zy over taeffele opt stedehuys voer mijne heere vande gerechte gespeelt hebben ende dat zy opt cruysgilde gespeelt hebben. In hetzelfde jaar kreeg de stadtrompetter Franchois van Loraine drie gulden en twaalf stuivers uitbetaald. Hij had dat bedrag uitgegeven aen brieve gesonde tantwerpe, middelburch ende anders om te hebben een nieuwe trompetslaeger tot zijne adiunct ende mede hulper. Blijkbaar was er in Amsterdam geen goede trompetmaker te vinden. Zo nu en dan mochten ook trompetters uit andere steden een liedje blazen. In 1531 werden de muzikanten van Deventer beloond met één gulden en vijf stuivers.

asdf

Zekere pypers van Deventer kregen een financiele vergoeding omdat zij opden stede toorn ghespeelt hebben (1531).

We zagen eerder hoe de stadsmuzikanten in sommige gevallen uit de wind werden gehouden. De keur uit 1540 was niet de enige die de trompetters moest beschermen tegen bedreiging van buiten. Zo was het de heren van de gerechte op 29 april 1540 een doorn in het oog dat personen met fluiten en trommels te comen speelen in diverssche harbergen ende huysen […] om een drinckpeninck daer aff te hebben. De gasten van de herbergen werden by zulcke manieren gedwongen den zelve speelluyden een drinckpeninck te gheven. In een stede van recht nyet en behoort toegelaeten te werden. Het werd deze muzikanten verboden om in herbergen en huizen te spelen.

De stadstrompetters van Antwerpen aan het werk tijdens de afkondiging van het Eeuwig Verdict (1577).

De stadstrompetters van Antwerpen aan het werk tijdens de afkondiging van het Eeuwig Edict (1577).

Een andere keur werd op 4 april 1550 opgesteld omdat er geabuseert wert int singen ofte lesen van liedekens, refereynen oft andere gedichten […] innehoudende dickwils oneerbaer oft ander materien nyet dienende omme by alle mensschen gehoert te werdden. Het werd door de heren van de gerechte verboden eenigen liedekens opden plaetse (op de Dam) oft elders binnen deser stede openbaerlycken te singen oft refereynen te lesen […] all opde peene van gegeesselt te werden oft tzelve te remederen mit drie Karolus guldens. Er werden dus in het openbaar liederen gezongen of voorgelezen die naar de mening van de heren van de gerechte oneerbaar waren. Het werd eenieder verboden om op de huidige Dam of elders in de stad liederen te zingen.

Twee speellieden spelen een deuntje om enige penningen te verdienen. Jacob Ochtervelt, 1660-1682.

Twee speellieden spelen een deuntje om enige penningen te verdienen. Jacob Ochtervelt, 1660-1682.

Gaandeweg verloren de stadsmuzikanten het monopolie om op bruiloften, maaltijden en banketten te spelen. Dat blijkt uit een keur van maart 1621 waarin de stadtsspeelluyden klagen dat hun werk werd ingepikt door Engelsen, Duitsers, Fransen, Walen en anderen. Deze buitenlanders deinsden er niet voor terug om langs de deuren te gaan alwaar sodanige feesten gehouden sullen werden om hun diensten aan te bieden waardoor de stadsmuzikanten het broot uyte mont wort genomen. In hun klaagzang verwezen de stadsmuzikanten naar andere steden alwaer geen vreemde speelluyden buyten consent van hare aengenomen stadtsspeelluyden mogen spelen. Ze vroegen aan de heren van de gerechte om te ordonneren dat geen vreemde persoonen alhier sullen vermogen te gaen spelen op bruyloften, maeltyden ofte bancquetten. De heren van de gerechte waren niet ongevoelig voor de weeklacht en besloten dat voortaen niemant hem met spelen op bruylofften ende bancketten zal mogen laten employeren, tenzy hy burger zy ende ’t recht van burgerschap zal hebben betaelt, op peene van drie gulden by yeder persoon te verbeuren.

Muzikanten in de begrafenisstoet van Frederik Hendrik. Pieter Nolpe, Pieter Jansz. Post, Pieter Jansz. Post, 1651

Muzikanten in de begrafenisstoet van Frederik Hendrik. Pieter Nolpe, Pieter Jansz. Post, Pieter Jansz. Post, 1651

De lieflijke klanken die vanuit de stadhuistoren door de stadsmuzikanten over de stad werden uitgestrooid zijn tegenwoordig niet meer te horen. De muziek schalt nu uit de winkels. Her en der staat een draaiorgel vrolijke deuntjes voort te brengen maar niks komt in de buurt van de muziek van de stadsmuzikanten, die tot eer van de stad speelden. Wie dat oude gevoel wilt beleven moet naar Krakau in Polen. Daar wordt vanuit de Mariakerk door de stadsmuzikanten ieder uur de Hejnał gespeeld. Deze melodie werd in 1241 door een torenwachter gespeeld toen de Tataren de stad wilden aanvallen. Als herinnering hieraan wordt dezelfde melodie ieder uur ten gehore gebracht.

Bronnen uit het Stadsarchief Amsterdam:

5014.9.76 (1540)

5014.9.76 (1540)

5014.32.72 (1563)

5014.32.72 (1563)

5014.32.116 (1563)

5014.32.116 (1563)

5014.32.121 (1563)

5014.32.121 (1563)

5023.2.86 (7-12-1557)

5023.2.86 (7-12-1557)

Gouw, J. ter, Geschiedenis van Amsterdam deel 5. 1886

Scheurleer, D.F. Het muziekleven van Amsterdam in de 17e eeuw. 1901

DelenShare on Facebook

  2 comments for “Stadsmuzikanten

  1. elias
    6 januari 2015 at 10:36

    ook toen werd al veel in regels, zowel geboden als verboden, vast gelegd. ook bijzonder dat de muzikanten op schepen mee moesten varen als die naar een gevecht gingen.
    ook de trompetter op het eind was meer weemoedig als waarschuwend.
    wat is trouwens een keur?
    groetje

  2. joke
    10 april 2015 at 08:29

    Leuk om over de Amsterdamse muzikanten en hun instrumenten te lezen.
    Dat muziek zo belangrijk gevonden werd in het openbare leven, dat muzikanten elke dag de toren op moesten om “Hoog van de toren te blazen”.
    Ik was benieuwd naar een “toorn”, blijkbaar ook een instrument waar in één van de in oude taal geschreven stukjes van gesproken werd. Ik heb op internet gekeken, en vond hem niet zo gauw. Er zal toch geen “hoorn” bedoeld zijn geweest?
    Of bestond die toen nog niet?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *


8 − = 1