Hondenslager

adsf

De hond als danspartner (1650).

De hond is zowel nu als vroeger het gezelschapsdier bij uitstek. In de Middeleeuwen bewaakten ze lijf en goed van de baas, hielpen bij de jacht en trokken karren voort. Dit waren honden die van nut waren, in tegenstelling tot de vele zwerfhonden die aanwezig waren in de stad. Deze werden als gevaarlijk en vies beschouwd en daar moest paal en perk aan gesteld worden. Die taak rustte op de schouders van de hondenslager die in dienst van de stad was.

Honden werden vroeger in verband gebracht met grote (pest)epidemieën waar Amsterdam onder zuchtte. Toen in 1481 een grote hondenplaag de stad teisterde, was men bevreesd voor een nieuwe uitbraak. Het stadsbestuur besloot dat iedere hond in de stad, met of zonder baasje, naar een plek buiten de stadsmuren gebracht diende te worden. Daar aangekomen werden de honden door een speciaal ingehuurde hondenslager de hersens ingeslagen. Weinig Amsterdammers gaven gehoor aan dit verzoek, mede vanwege het feit dat betaald moest worden voor deze ‘service’. Door de tegenvallende opkomst besloot het stadsbestuur een vaste hondenslager op de loonlijst te zetten.

Jan Loysz hontslager van 47 honden te slaen, tstuck een halve stuiver

Jan Loysz hontslager van 47 honden te slaen, tstuck een halve stuiver

De eerste hondenslager die we bij naam kennen is Jan Loysz, genoemd in de stadsrekeningen van 1532. Volgens de uitgaven van de stad ving hij dat jaar 47 honden waar hij een halve stuiver per stuk voor ontving. Hoewel de hondenslager een relatief ‘nuttig’ beroep had, werd hij gehaat door iedereen in de stad. Hij werd gesard, nageroepen door mensen op straat en werd geregeld bekogeld. Om de hondenslager te beschermen werden verschillende keuren opgesteld die de pesterijen strafbaar stelden.

Een hond wordt bedreigd met een knuppel (1581)

Een hond wordt bedreigd met een knuppel (1581).

De honden werden om zeep geholpen met een houten knuppel met ijzeren punten op het einde. Een dergelijke knuppel werd ook wel een ‘kodde’ genoemd. Dit woord komt nog voor in het woord ‘koddebeier’ wat niet veel anders betekent dan iemand die met een stok zwaait om boosdoeners te verjagen. De hondenjachten leverden in sommige jaren honderden dode viervoeters op. De hondenslager bracht zijn slachtoffers naar een bepaalde plek waar ze, als het hok vol was, werden nageteld en daarna in een kuil geworpen. De hondenbegraafplaats lag buiten de stad nabij de Montelbaanstoren. Jan Albertsz, de opvolger van Jan Loysz, werd in 1552 door de stad betaald omdat hij acht dagen lanck opte kade van Montelbaen gevaceert heeft, omme te dooden ende begraven die honden, die aldaer gebracht souden worrden. De hondenslager had in Amsterdam een eigen uniform met het stadswapen op de rug en borst. Jacob Henricxz, lakenkoper, rekende in 1562 voer ’t  laicken scheeren ende maickloen voer een rock mitter stede wapen achter opten rugge ende voer de borst van der stede hondtslager […] hem bij der stede geschonken ruim acht gulden. Dit uniform was bedoeld voor hondenslager Adriaen Jansen.

Ofschoon honderden honden aan hun eind kwamen door toedoen van de hondenslager, waren er ook honden die vrijuit door de stad mochten lopen omdat hun baas de schout, kapitein of havenmeester was. Ter herkenning droegen deze honden een penning om hun hals. Ook voor kleine huishonden werd een uitzondering gemaakt. Eenieder die zijn of haar geliefde huishond wilde behouden, werd door de schout opgeroepen om de hond op te meten. Tegen betaling van een stuiver probeerde de hondenslager of de hond klein genoeg was om (letterlijk) door de beugel te kunnen. Ook tegenwoordig gebruiken we deze uitdrukking als iets plaatsvindt dat niet toelaatbaar is. De honden die te groot waren en dus niet door de beugel konden moesten binnen acht dagen buiten de stad gebracht worden om afgemaakt te worden.

Hond aan het plassen tegen een kerkzuil.

Zwerfhond aan het plassen tegen een kerkzuil. De hond aan de linkerkant, met een penning om de hals, staat verbouwereerd toe te kijken.

Niet alleen op straat werden honden niet geduld, ook in de kerk waren ze niet gewenst. Een kerkelijk functionaris was verantwoordelijk om de honden de kerk uit te krijgen. Hij gebruikte hierbij niet een knuppel maar een zweep of stok, de kerk vergiet immers geen bloed. De hondenslager van de voormalige Eilandskerk op het Bickerseiland had het blijkbaar zo druk dat hij in 1661 zelfs een assistent heeft gehad om alle honden de deur te wijzen.

Naast zijn taak om de honden te liquideren werd de vanuit stadswege aangestelde hondenslager ingezet bij allerhande klusjes. Zo kreeg Jan Loysz in 1537 salaris van de stad omdat hij dertich weken de Plaetse (de Dam) daer op de sleden staen bij tnyeuwe zijdts kerckhoff schoongemaeck heeft. Hij gebruikte talloze bezems per jaar om de Dam schoon te houden. Een paar jaar later, in 1542, kreeg hij een vergoeding omdat hij de beul had geholpen met een executie. Hij was dus breed inzetbaar voor de stad.

Tegenwoordig is het beter gesteld met de opvang van zwerfhonden. Met alle liefde worden ze verzorgd in de verschillende dierenasielen in afwachting van een nieuw baasje. In Amsterdam is een hondenslager gelukkig niet meer nodig.

Bronnen uit het Stadsarchief Amsterdam:

5014.2.51 (1532)

5014.2.51 (1532)

5014.6.77 (1537)

5014.6.77 (1537)

5014.11.104 (1542)

5014.11.104 (1542)

5014.21.100 (1552)

5014.21.100 (1552)

5014.31.140 (1562)

5014.31.140 (1562)

Daalder, R., Stadse beesten, 2005.

Kruizinga, J.H., Over stokmannen en hondenslagers, Ons Amsterdam, 1960

DelenShare on Facebook

Post navigation

  3 comments for “Hondenslager

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


8 + 7 =